Geen differentiatie in tarief overdrachtsbelasting

De Tweede Kamer heeft in 2019 het kabinet gevraagd om onderzoek te doen naar de invoering van een gedifferentieerd tarief in de overdrachtsbelasting. Starters op de woningmarkt zouden moeten worden vrijgesteld en beleggers zouden vanaf de derde woning met een hoger tarief te maken moeten krijgen.

De staatssecretaris van Financiën heeft de onderzoeksrapporten naar de Tweede Kamer gestuurd.

Voor het onderzoek is een starter gedefinieerd als een natuurlijke persoon die voor het eerst een woning verkrijgt. Een belegger is gedefinieerd als een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die op het moment van de verkrijging van een woning al twee of meer woningen heeft. Starters worden vrijgesteld van overdrachtsbelasting, terwijl beleggers 6 of 10% overdrachtsbelasting gaan betalen.

Volgens de onderzoekers heeft differentiatie van de overdrachtsbelasting slechts een beperkt effect op de woningmarkt. De redenen hiervoor zijn dat beleggers de hogere overdrachtsbelasting eenvoudig kunnen ontwijken, beleggers en starters elkaar alleen in bepaalde gebieden beconcurreren en beleggers in sommige regio’s de hogere kosten kunnen doorberekenen in de huurprijs. De differentiatie van de overdrachtsbelasting is niet tot nauwelijks uitvoerbaar omdat niet met zekerheid kan worden vastgesteld of een koper een starter of een belegger is.

Er is onderzocht of andere definities een mogelijke differentiatie van de overdrachtsbelasting kunnen verbeteren. Dat lijkt niet het geval te zijn.

De structurele problemen op de woningmarkt worden veroorzaakt door een te beperkt aanbod van woningen. Differentiatie van de overdrachtsbelasting lost dat niet op.

Bedragen uurloongrenzen jeugd-LIV 2020

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de onder- en bovengrenzen van de bandbreedte van het uurloon voor de toepassing van het jeugd-LIV voor het jaar 2020 vastgesteld.

 Leeftijd op 31-12-2019  ondergrens  bovengrens
 20 jaar  € 8,30  € 10,29
 19 jaar  € 6,23  €   9,24
 18 jaar  € 5,19  €   6,93

Wetsvoorstel excessief lenen naar Tweede Kamer

Bij de presentatie van het Belastingplan 2019 in september 2018 heeft het kabinet aangekondigd met een wetsvoorstel te komen dat excessief lenen door houders van een aanmerkelijk belang bij de eigen vennootschap moet tegengaan. Dat wetsvoorstel is nu ingediend bij de Tweede Kamer. Door geld te lenen van de eigen vennootschap kan de aanmerkelijkbelanghouder de belastingheffing over dit bedrag langdurig uitstellen of zelfs afstellen.

Inhoud wetsvoorstel

Als het totaal van de schulden van de aanmerkelijkbelanghouder aan de vennootschap meer dan € 500.000 bedraagt, dan wordt het meerdere als inkomen uit aanmerkelijk belang belast. Dat gebeurt door dit meerdere aan te merken als een fictief regulier voordeel. De bepaling van de hoogte van de schuld vindt ieder kalenderjaar plaats op de laatste dag van het jaar op basis van de nominale waarde. Deze maatregel heeft alleen gevolgen voor de bepaling van het inkomen uit aanmerkelijk belang. Dit betekent dat de maatregel geen andere fiscale gevolgen heeft en dus niet van belang is voor de belastingheffing in box 1 en box 3 van de inkomstenbelasting, voor de dividendbelasting of de vennootschapsbelasting. Ook civielrechtelijk heeft deze maatregel geen betekenis. De schuld aan de vennootschap blijft bestaan, inclusief de rente- en aflossingsverplichtingen.

Het fictieve reguliere voordeel kan positief of negatief zijn. Het negatieve fictieve reguliere voordeel heeft als doel om economische dubbele heffing te voorkomen.

Kring van betrokkenen

De aanmerkelijkbelanghouder wordt samen met zijn partner in de heffing betrokken voor hun schulden boven de € 500.000 aan de vennootschap. Naast de aanmerkelijkbelanghouder en zijn partner geldt de maatregel ook voor met de aanmerkelijkbelanghouder verbonden personen die schulden hebben aan de vennootschap van de aanmerkelijkbelanghouder. Verbonden personen zijn de bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van de aanmerkelijkbelanghouder en van zijn partner. De schulden van een verbonden persoon worden toegerekend aan de aanmerkelijkbelanghouder indien deze meer bedragen dan € 500.000 en de verbonden persoon zelf geen aanmerkelijk belang in de vennootschap heeft.

Uitzondering voor eigenwoningschuld

Een schuld die kwalificeert als eigenwoningschuld voor de eigenwoningregeling van box 1 telt niet mee voor de bepaling of het totaal aan schulden hoger is dan € 500.000. Voorwaarde is dat aan de vennootschap een recht van hypotheek op de eigen woning is verstrekt. Deze voorwaarde wordt niet gesteld aan op 31 december 2021 bestaande eigenwoningschulden.

Maximumbedrag

Het maximumbedrag aan schulden bedraagt in beginsel € 500.000. Het maximumbedrag wordt verhoogd met het bedrag dat als fictief regulier voordeel op grond van deze regeling is belast. Op deze manier wordt voorkomen dat over hetzelfde bovenmatige gedeelte van de schulden ieder jaar een fictief regulier voordeel in aanmerking wordt genomen.

Voorkomen dubbele heffing

Zonder verdere maatregelen kan zich dubbele belastingheffing voordoen wanneer een aanmerkelijkbelanghouder meer dan € 500.000 heeft geleend bij zijn eigen vennootschap. Nadat een fictief regulier voordeel in aanmerking is genomen wordt een latere dividenduitkering, die wordt gebruikt om de schuld af te lossen, als regulier voordeel in de belastingheffing betrokken. Economisch gezien is daardoor sprake van dubbele heffing. Datzelfde doet zich voor bij vervreemding van de aandelen, waarbij over de meerwaarde van de aandelen belasting in box 2 moet worden betaald. Economische dubbele heffing moet worden voorkomen doordat het fictieve reguliere voordeel ook negatief kan zijn. Een negatief fictief regulier voordeel doet zich voor bij aflossing van de schuld nadat het maximumbedrag van € 500.000 eerder is verhoogd met het bedrag van een positief fictief regulier voordeel. Na aflossing zal de totale schuld aan het einde van het jaar lager zijn dan het verhoogde maximumbedrag. Het verschil wordt als een negatief fictief regulier voordeel bij de berekening van het inkomen uit aanmerkelijk belang in het jaar van aflossing in aanmerking genomen. Het maximumbedrag wordt vervolgens met hetzelfde bedrag verlaagd.

Inwerkingtreding

De wet moet op 1 januari 2023 in werking treden. Deze datum van inwerkingtreding biedt aanmerkelijkbelanghouders de mogelijkheid om hun schuldpositie terug te brengen tot maximaal € 500.000.

Regeling NOW-2 gepubliceerd

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de regeling NOW-2 naar de Tweede Kamer gestuurd. De tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid wordt verlengd tot 1 oktober 2020. Aanvragen voor de NOW-2 kunnen vanaf 6 juli tot en met 31 augustus 2020.

De NOW-2 wijkt op een aantal punten af van de NOW-1. Het subsidietijdvak is verlengd van drie naar vier maanden en de loonsom wordt vastgesteld aan de hand van de loonsom in de maand maart. De forfaitaire opslag voor werkgeverslasten is verhoogd van 30 naar 40%.

De NOW-2 kent nieuwe voorwaarden. Een bedrijf dat een subsidie van € 125.000 of meer ontvangt of een voorschot van € 100.000 of meer mag over dit jaar geen winstuitkering aan aandeelhouders doen, geen bonussen aan het bestuur en de directie uitkeren en geen eigen aandelen inkopen. Voor concerns die hun omzetdaling op werkmaatschappijniveau willen berekenen gold deze voorwaarde al voor de NOW-1 ongeacht de hoogte van het voorschot of de subsidie. De in de NOW-1 opgenomen extra korting van 50% bij bedrijfseconomisch ontslag in de subsidieperiode is vervallen.

Anders dan aanvankelijk is aangekondigd hoeft een werkgever, die zowel de eerste als de tweede tranche NOW heeft aangevraagd, de definitieve vaststelling voor beide tranches niet gelijktijdig aan te vragen. Vaststelling aanvragen voor de eerste tranche kan vanaf 7 oktober 2020. Voor de tweede tranche is vaststelling aanvragen mogelijk vanaf 15 november 2020.

Tegemoetkoming kosten eHerkenning

Diverse fracties in de Tweede Kamer hebben aangegeven dat het inlogmiddel waarmee bedrijven belastingaangifte doen kosteloos moet worden. De staatssecretarissen van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Financiën hebben onderzocht welke alternatieven daarvoor zijn. Volgens de staatssecretarissen is de meest voor de hand liggende optie een financiële compensatie op basis van de laagste prijs in de markt. Deze compensatie bedraagt ongeveer € 24 per jaar, waarbij niet meer dan één eHerkenningsmiddel per organisatie zal worden gecompenseerd. De compensatie zou moeten worden gekoppeld aan een nog in te voeren specifiek ‘eHerkenning Belastingdienst’ inlogmiddel. Met dit middel kan de ondernemer alleen belastingaangifte doen. De bij eHerkenning op niveau 3 behorende overige mogelijkheden ontbreken. Ondernemers die een bij alle relevante overheidsinstanties te gebruiken versie van eHerkenning hebben aangeschaft, kunnen deze downgraden naar ‘eHerkenning Belastingdienst’. De uitwerking en het online aanvragen van de compensatie kan in augustus van dit jaar gereed zijn. De compensatieregeling kent een looptijd van twee jaar.

Er zijn ongeveer 350 rechtspersonen die aangifte loonheffing en vennootschapsbelasting moeten doen maar niet zijn ingeschreven in het Handelsregister. Zij kunnen geen eHerkenning aanvragen. De Belastingdienst heeft deze organisaties gewezen op het gebruik van commerciële aangiftesoftware of van een fiscaal dienstverlener. De gefactureerde kosten hiervoor worden tot een maximum van € 450 vergoed. Het eerder geboden uitstel voor aangiften loonheffing wordt met één maand verlengd tot 1 augustus.

Tozo niet voor student-ondernemers

De staatssecretaris voor Economische Zaken en Klimaat heeft Kamervragen beantwoord over het openstellen van de Tozo-regeling voor student-ondernemers. De Tozo sluit aan bij de Participatiewet. Daarin is geregeld dat personen jonger dan 27 jaar geen recht hebben op algemene bijstand als zij aanspraak hebben op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000. Student-ondernemers zijn daardoor uitgesloten van de Tozo. De staatssecretaris is niet van plan om van de wettelijke regeling van de Participatiewet af te wijken. Dat zou betekenen dat een groot deel van de studenten met studiefinanciering aanspraak kan maken op algemene bijstand.

De staatssecretaris is van mening dat studenten die een beroep kunnen doen op studiefinanciering en ondernemers die voor hun inkomen volledig afhankelijk zijn van hun bedrijf geen gelijke gevallen zijn. Het aanbieden van een aanvullende bijstandsuitkering voor levensonderhoud aan studenten bovenop de studiefinanciering als tegemoetkoming voor het verlies van bijverdiensten als gevolg van de coronacrisis vindt de staatssecretaris niet gewenst.

Tijdelijke Overbruggingsregeling Flexibele Arbeidskrachten gepubliceerd

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten (TOFA) gepubliceerd. De TOFA is een vangnet voor mensen die door de coronacrisis een forse terugval hebben in hun inkomen maar geen aanspraak kunnen maken op WW, bijstand of een andere socialezekerheidsregeling.

Om in aanmerking te komen voor de TOFA moet aan de volgende criteria zijn voldaan:

  1. de werknemer heeft in februari 2020 ten minste € 400 loon ontvangen;
  2. de werknemer heeft in maart 2020 ten minste € 1 aan loon genoten;
  3. de werknemer was op 1 april 2020 achttien jaar of ouder maar had de AOW-leeftijd nog niet bereikt;
  4. de werknemer heeft in april substantieel inkomensverlies geleden ten opzichte van februari en in ieder geval minder dan € 550 verdiend.

De tegemoetkoming bedraagt € 550 bruto per maand. De TOFA moet worden aangevraagd bij het UWV.

Uitstel invoering nieuwe btw-regels e-commerce

De Europese Commissie wil de invoering van nieuwe btw-regels voor e-commerce met zes maanden uitstellen. Deze nieuwe regels vereenvoudigen de btw-heffing op grensoverschrijdende internetverkopen van goederen en diensten aan consumenten. Onder de nieuwe regels zal de btw worden geheven in het land van bestemming en gelden gelijke concurrentievoorwaarden voor bedrijven binnen en buiten de EU. Voor de handel van buiten de EU zal de heffing in veel gevallen verschuldigd zijn door de platforms die betrokken zijn bij de verkoop. Op dit moment geldt in Nederland een btw-vrijstelling bij de invoer van goederen met een intrinsieke waarde van niet meer dan € 22 voor consumenten in de EU. Deze vrijstelling komt met de nieuwe regels te vervallen.

Voor de afdracht van de btw in EU-lidstaten waar zijn klanten zitten kan een ondernemer zich onder de nieuwe regels registreren en aangifte doen in één lidstaat. Deze lidstaat zorgt er voor dat de btw wordt doorgeleid naar de belastingdiensten van de andere lidstaten. Er komt eenzelfde éénloketsysteem voor de levering van goederen en diensten binnen de EU. Implementatie van het omvangrijke pakket aan maatregelen vergt veel van de IT-systemen van de belastingdiensten. Diverse lidstaten kunnen daarom de geplande inwerkingtreding per 1 januari 2021 niet garanderen.

De Belastingdienst onderzoekt op dit moment op welke manier en per welke datum het e-commerce pakket kan worden geïmplementeerd (inclusief bijbehorende IT-systemen). In antwoord op Kamervragen heeft de staatssecretaris van Financiën gezegd geen mogelijkheden te zien om de btw op Chinese pakketjes zoals gepland in te voeren per 1 januari 2021. Het IT-systeem van de Belastingdienst is per die datum niet gereed om de forse toename aan btw-aangiftes te kunnen verwerken.

Verkorting maximale betaaltermijn

De staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat heeft in een brief aan de Tweede Kamer laten weten dat zij een wetsvoorstel aan het voorbereiden is om de maximale betaaltermijn voor betalingen van grote ondernemingen aan mkb-ondernemingen terug te brengen van 60 naar 30 dagen. Een aantal grote bedrijven heeft in verband met de coronacrisis eenzijdig de afgesproken betaaltermijn opgerekt. De betrokken bedrijven zijn daarop door het ministerie aangesproken. Volgens de staatssecretaris maakt de huidige situatie duidelijk dat mkb-ondernemers beter beschermd dienen te worden tegen onredelijk lange betaaltermijnen.

Mkb-ondernemers maken wanneer de afgesproken betaaltermijn wordt overschreden te weinig gebruik van juridische invorderingsmiddelen, zoals het vorderen van de wettelijke handelsrente.

De bedoeling is dat het wetsvoorstel voor het herfstreces ter internetconsulatie wordt aangeboden.

Kamervragen fiscale coronamaatregelen

De staatssecretarissen van Financiën hebben Kamervragen beantwoord die door de vaste commissie voor Financiën zijn gesteld over de fiscale maatregelen ter bestrijding van de coronacrisis.

Een van de onderwerpen betreft wanneer en in welke situaties een verzuimboete wordt teruggedraaid en of een verzuimboete alleen vervalt voor ondernemers die uitstel van betaling hebben aangevraagd. Bij het opleggen van naheffingsaanslagen omzetbelasting wordt een betalingsverzuimboete opgelegd. De boete wordt vernietigd nadat de ondernemer bijzonder uitstel van betaling heeft gekregen. Bij het opleggen van naheffingsaanslagen loonheffingen legt de Belastingdienst geen betalingsverzuimboete op als de aangifte is ingediend. Als een ondernemer geen uitstel van betaling heeft gevraagd, geldt de versoepeling voor betaalverzuimboeten in beginsel niet. Als een ondernemer niet tijdig heeft kunnen betalen als gevolg van de coronacrisis, maar ten tijde van de ontvangst van de naheffingsaanslag geen nader uitstel van betaling nodig heeft, wordt de betaalverzuimboete vernietigd mits de naheffingsaanslag op tijd is betaald.

De staatssecretarissen merken op dat een ondernemer bezwaar kan maken tegen een opgelegde betaalverzuimboete, ook als hij geen uitstel van betaling heeft gevraagd.

Het wetsvoorstel dat excessief lenen bij de eigen vennootschap moet tegengaan is in september 2018 aangekondigd en nu ingediend bij de Tweede Kamer. Het was de bedoeling om dit wetsvoorstel per 1 januari 2022 in werking te laten treden. In verband met de coronacrisis wordt de inwerkingtreding uitgesteld tot 1 januari 2023. Op basis van de op 31 december 2023 aanwezige schulden aan de vennootschap wordt het fictieve reguliere voordeel berekend dat als inkomen uit aanmerkelijk belang in de heffing wordt betrokken.

De staatssecretarissen zijn niet bereid om voor de horecasector extra fiscale maatregelen te nemen zoals het tijdelijk verlagen van de btw. Ook komt er geen specifieke vrijstelling voor schenkingen aan mkb-ondernemers of een andere specifieke groep.