Aanpassingen in regeling NOW

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid (NOW) op enkele plaatsen gewijzigd.

Het betreft de regeling voor concerns met minder dan 20% omzetverlies, de instemming met openbaarmaking van bepaalde gegevens, de eis dat een binnenlands bankrekeningnummer moet worden opgegeven en het schrappen van de verplichte melding van een loonkostensubsidie.

Bij concerns met minder dan 20% omzetverlies kunnen individuele werkmaatschappijen subsidie voor hun loonkosten aanvragen op basis van hun eigen omzetdaling. Hieraan zijn extra voorwaarden verbonden. De extra voorwaarde dat er geen personeels-bv binnen het concern mag zijn is gewijzigd. Er mag wel een personeels-bv zijn voor bijvoorbeeld het management, maar deze bv is uitgesloten van de NOW. Andere werkmaatschappijen binnen het concern kunnen de NOW aanvragen mits zij aan de voorwaarden voldoen.

Door het indienen van een NOW-aanvraag stemt de aanvrager in met het eventueel openbaar maken van informatie die hij verstrekt heeft aan het UWV. Deze automatische instemming heeft alleen betrekking op gegevens die voor transparantie over de besteding van publieke middelen van belang zijn. Bedrijfsgevoelige informatie wordt niet prijsgegeven.

De NOW kende als voorwaarde dat een werkgever met een buitenlands bankrekeningnummer binnen vier weken de aanvraag diende aan te vullen met een Nederlands bankrekeningnummer. Deze eis is vervallen omdat is gebleken dat het vrijwel onmogelijk is om aan deze termijn te voldoen.

Al eerder heeft de minister gemeld dat dubbele financiering van loonkosten voor mensen met een arbeidsbeperking onder de huidige bijzondere omstandigheden geaccepteerd wordt. Verrekening van de subsidie op grond van de NOW met de loonkostensubsidie is niet of moeilijk uitvoerbaar.

De minister heeft eerder al aangekondigd dat zal worden verduidelijkt onder welke grens geen accountantsverklaring zal worden gevraagd. Die duidelijkheid is er nog niet. De regeling zal op dit punt zo spoedig mogelijk worden aangepast.

Minimumlonen per 1 juli 2020

Ieder half jaar per 1 januari en per 1 juli worden de bedragen van het wettelijk minimumloon aangepast aan de ontwikkeling van de contractlonen. Per 1 juli 2020 stijgt het minimumloon voor werknemers van 21 jaar en ouder van € 1.653,60 naar € 1.680 per maand. Voor werknemers jonger dan 21 jaar gelden hiervan afgeleide bedragen. De tabel bevat alle per 1 juli geldende bedragen per leeftijdscategorie. 

Leeftijd Percentage Per maand Per week Per dag
21 jaar en ouder 100% € 1.680,00 € 387,70 € 77,54
20 jaar 80% € 1.344,00 € 310,15 € 62,03
19 jaar 60% € 1.008,00 € 232,60 € 46,52
18 jaar 50% € 840,00 € 193,85 € 38,77
17 jaar 39,5% € 663,60 € 153,15 € 30,63
16 jaar 34,5% € 579,60 € 133,75 € 26,75
15 jaar 30% € 504,00 € 116,30 € 23,26

Voor werknemers, die de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) volgen, gelden afwijkende bedragen.

Leeftijd Percentage bbl Per maand Per week Per dag
20 jaar 61,5% € 1.033,20 € 238,45 € 47,69
19 jaar 52,5% € 882,00 € 203,5 € 40,71
18 jaar 45,5% € 764,40 € 176,40 € 35,28

De wet kent geen uniform wettelijk minimum uurloon. Het uurloon kan verschillen, afhankelijk van het aantal uren dat als normale arbeidsduur geldt. In de meeste cao’s is deze arbeidsduur voor een fulltime dienstverband gesteld op 36, 38 of 40 uur per week. Voor het minimumloon per uur betekent dit het volgende:

Leeftijd 36 uur per week 38 uur per week 40 uur per week
21 jaar en ouder € 10,77 € 10,21 € 9,70
20 jaar € 8,62 € 8,17 € 7,76
19 jaar € 6,47 € 6,13 € 5,82
18 jaar € 5,39 € 5,11 € 4,85
17 jaar € 4,26 € 4,04 € 3,83
16 jaar € 3,72 € 3,52 € 3,35
15 jaar € 3,24 € 3,07 € 2,91

Berekening kleinschaligheidsinvesteringsaftrek bij samenwerkingsverband.

Ondernemers, die investeren in bedrijfsmiddelen, hebben recht op kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA). De hoogte van de KIA is afhankelijk van het investeringsbedrag. Het investeringsbedrag moet ten minste € 2.400 bedragen om recht op KIA te hebben. Boven deze drempel bedraagt de KIA 28% van het investeringsbedrag. Vanaf een investeringsbedrag van € 58.238 is de KIA een vast bedrag van € 16.307. Is het investeringsbedrag hoger dan € 107.848, dan daalt de KIA met 7,56% van het meerdere. Vanaf een investeringsbedrag van € 323.544 bedraagt de KIA € 0.

De Hoge Raad heeft een aantal arresten gewezen over de hoogte van de KIA voor ondernemers in samenwerkingsverbanden. De Hoge Raad merkt op dat iedere vennoot in een samenwerkingsverband fiscaal wordt geacht een eigen onderneming te drijven. De winst uit onderneming wordt per vennoot berekend. Dat geldt ook voor de KIA. Daarbij moet rekening gehouden worden met het voorschrift dat voor de berekening van de KIA van een vennoot de investeringen van het samenwerkingsverband worden samengeteld. Dit voorschrift is bedoeld om te voorkomen dat de KIA van de gezamenlijke ondernemers van het samenwerkingsverband hoger is dan de KIA voor een eenmanszaak of een bv bij eenzelfde investeringsbedrag. Volgens dit voorschrift wordt het voor de leden van het samenwerkingsverband geldende percentage van de KIA bepaald alsof de onderneming voor rekening van één belastingplichtige wordt gedreven.

Sinds het Belastingplan 2010 wordt de KIA echter niet meer altijd uitgedrukt in een percentage van het investeringsbedrag. In een eerder arrest over de KIA voor een ondernemer in een samenwerkingsverband, die naast de investeringen door het samenwerkingsverband nog andere investeringen had gedaan, moet volgens de Hoge Raad een tussenstap worden gemaakt als het eigen investeringsbedrag van de ondernemer niet valt binnen de bandbreedte waarin het bedrag valt van de eigen investeringen vermeerderd met de investeringen van de overige leden voor het samenwerkingsverband. In de wet is deze tussenstap niet geregeld. De Hoge Raad hanteert de berekeningswijze voor de desinvesteringsbijtelling door het bedrag aan KIA dat hoort bij het totale investeringsvolume uit te drukken in een percentage daarvan.

Deze methodiek heeft de Hoge Raad ook toegepast bij een vennoot in een vof. De vof kende twee vennoten. Het totale investeringsbedrag van de vof bedroeg € 119.385 in 2016. Bij dat investeringsbedrag behoorde een bedrag aan KIA van € 15.687 verminderd met 7,56% van (€ 119.385 -/- € 103.748) = € 14.504. De vennoot heeft in 2016 geen investeringen in buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen gedaan. Zijn KIA bedroeg 14.504/119.385 maal € 59.692,50 is € 7.252.

Ouderschapsverlof straks deels betaald

Het kabinet heeft een interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) naar deeltijdwerk laten uitvoeren. Het rapport van dit onderzoek is, met een reactie van het kabinet, naar de Tweede Kamer gestuurd. Het rapport geeft een overzicht van voor- en nadelen van deeltijdwerk, zowel op individueel als op maatschappelijk niveau. Naar aanleiding van het IBO kondigt het kabinet de invoering van betaald ouderschapsverlof aan. Dat verlof komt in aanvulling op het recent uitgebreide geboorteverlof voor partners. De uitbreiding van het geboorteverlof gaat in op 1 juli 2020. De invoering van betaald ouderschapsverlof zou moeten gebeuren per 21 augustus 2022. Gedurende negen van de huidige 26 weken onbetaald ouderschapsverlof komt er een uitkering van 50% van het dagloon van de werknemer. Dit betaalde ouderschapsverlof moet in het eerste levensjaar van het kind worden opgenomen. De huidige regeling van onbetaald ouderschapsverlof gedurende maximaal 26 weken geldt voor de eerste acht jaar van het kind. Een wetsvoorstel met deze regeling zal na de zomer worden ingediend.

Het IBO is aanleiding voor het kabinet om vrijwillige uitbreiding van uren met name bij kleine arbeidscontracten te stimuleren. Vier op de tien vrouwen verdienen onvoldoende om de ondergrens van economische zelfstandigheid te halen. Zij lopen daarmee een risico op armoede. In dat kader gaat het kabinet alternatieven ontwikkelen voor het stelsel van ondersteuning van gezinnen met jonge kinderen. Dat moet ouders stimuleren om actief te blijven op de arbeidsmarkt. De huidige regeling van de kinderopvangtoeslag doet dat niet, aangezien de toeslag daalt met het stijgen van het inkomen. Daarnaast gaat het kabinet beleid richten op openingstijden van kinderopvang en scholen om belemmeringen weg te nemen om meer uren te werken. Samenwerking tussen kinderopvang, voorschoolse voorzieningen en het onderwijs kan daar aan bijdragen.

Het IBO stelt vier mogelijke beleidsrichtingen voor:

  1. Bevorderen van economische zelfstandigheid. Dit kan door betaald werken aan de onderkant van de arbeidsmarkt lonender te maken en de inkomensondersteuning te verminderen.
  2. Het vergroten van de gelijkheid tussen vrouwen en mannen.
  3. Bevorderen van het totale arbeidsaanbod. Hiertoe moeten maatregelen, die de minstverdienende partner stimuleren om meer te werken, worden gecombineerd met maatregelen waarmee het huishouden ontzorgd wordt.
  4. De verschillen in de belastingdruk tussen een- en tweeverdienershuishoudens moeten worden verkleind. De fiscale instrumenten die zijn gericht op de minstverdienende partner moeten daarvoor afgebouwd worden.

Daarnaast heeft het IBO vier besparingsvarianten uitgewerkt. Dit zijn het verlagen van het kindgebonden budget en de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK), het afbouwen van de IACK met de leeftijd van het jongste kind, het verlagen van de alleenstaande oudertoeslag in het kindgebonden budget en het afhankelijk maken van de opbouw van de AOW-rechten van het aantal jaren dat iemand meer dan 70% van het wettelijk minimumloon verdient.

Herzieningsvoorstel box 3 pas na de zomer naar Tweede Kamer

Op 14 juni 2019 heeft de Hoge Raad in een aantal arresten over de vermogensrendementsheffing van box 3 geoordeeld dat deze heffing op stelselniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM) voor zover het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement lager is dan 1,2%. De arresten betreffen de jaren 2013 en 2014. De Hoge Raad heeft niet vastgesteld dat er voor de jaren 2013 en 2014 sprake is van een dergelijke schending omdat niet feitelijk is vastgesteld dat het gemiddeld haalbare rendement lager was dan 1,2%. De arresten gelden ook voor de jaren 2015 en 2016 omdat het box 3-stelsel in die jaren niet is gewijzigd.

Het kabinet heeft drie onafhankelijke juridische deskundigen gevraagd advies te geven over de toepassing van artikel 1 EP EVRM. Daarnaast is het CPB gevraagd om aan te geven welk rendement zonder risico gemiddeld haalbaar was in de jaren 2013 tot en met 2016.

De juridisch deskundigen adviseren de Staat om, als het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement in een van de jaren onder de 1,2% uitkomt, belastingplichtigen waar nodig te compenseren. Het CPB geeft aan dat niet duidelijk is welke cijfers gebruikt dienen te worden voor de berekeningswijze van het gemiddeld haalbare rendement. Op basis van het onderzoek van het CPB is het voor het kabinet niet eenduidig vast te stellen of het zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement in de jaren 2013, 2014, 2015 of 2016 lager is dan 1,2%. Het kabinet streeft ernaar om in het najaar de kabinetsreactie op het advies van de drie deskundigen en de notitie van het CPB aan de Tweede Kamer te sturen. Dat betekent ook dat het wetsvoorstel ter aanpassing van box 3 niet zal worden ingediend voor het zomerreces, zoals eerder was toegezegd.

Uitstel inwerkingtreding wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding 2021

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft onlangs het wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding 2021 ingediend bij de Tweede Kamer. De Kamer heeft besloten dit wetsvoorstel pas na het zomerreces te behandelen. Dit betekent dat de inwerkingtreding per de beoogde datum 1 januari 2021 niet haalbaar is. De minister heeft de Tweede Kamer meegedeeld dat de beoogde inwerkingtredingsdatum wordt verschoven naar 1 januari 2022. Het wetsvoorstel zal door middel van een nota van wijziging worden aangepast.

Aanvragen corona-overbruggingslening mogelijk vanaf 29 april

Een van de maatregelen die het kabinet heeft getroffen ter bestrijding van de gevolgen van de coronacrisis is een kredietfaciliteit voor startups, scale-ups en innovatieve mkb’ers. Het kabinet heeft € 100 miljoen beschikbaar gesteld voor overbruggingskredieten aan deze doelgroep. Vanaf 29 april om 09.00 uur kunnen deze bedrijven een aanvraag doen voor een corona-overbruggingslening (COL). De regeling wordt uitgevoerd door de regionale ontwikkelingsmaatschappijen.

Corona-overbruggingslening

De COL is een overbruggingslening onder gunstige condities. De hoogte van de leningen varieert van € 50.000 tot € 2 miljoen. Bij bedragen boven € 250.000 moeten de aandeelhouders of andere investeerders 25% van het gevraagde bedrag inleggen. De rente bedraagt 3% per jaar. De looptijd is drie jaar, met de mogelijkheid van vervroegde aflossing. Het streven is om aanvragen tot € 500.000 binnen vier tot negen werkdagen af te handelen. 

Om in aanmerking te komen voor de COL moeten ondernemers kunnen aantonen dat zij deze lening nodig hebben vanwege de huidige economische situatie en dat zij een duurzaam en gezond toekomstperspectief hebben. Bij de aanvraag moeten de volgende gegevens worden toegevoegd:

  • een toelichting op de relatie tussen de coronacrisis en de liquiditeitsbehoefte;
  • de jaarrekeningen van 2018 en 2019;
  • de oorspronkelijke begroting 2020;
  • bestaande leningsovereenkomsten;
  • een businessplan;
  • een actuele liquiditeitsprognose op 12-maands forecastbasis;
  • een toelichting op en specificatie van de maandelijkse burnrate/runway.

De aanvraag van de COL gaat digitaal via https://www.techleap.nl/content/bridgefinancing-portal/

Aanvullende fiscale maatregelen coronacrisis

De staatssecretaris van Financiën heeft zes nieuwe belastingmaatregelen aangekondigd ter bestrijding van de gevolgen van de coronacrisis. De maatregelen zijn met name gericht op het geven van financiële ruimte aan bedrijven en ondernemers. Daarnaast is een maatregel voor particulieren met een eigen woning aangekondigd. Het gaat om de volgende maatregelen:

  1. Verlaging van het gebruikelijk loon bij omzetdaling
  2. Versoepeling van het urencriterium voor zelfstandigen
  3. Verruiming van de werkkostenregeling
  4. De invoering van een coronareserve in de vennootschapsbelasting
  5. Uitstel van de inwerkingtreding van het wetsvoorstel excessief lenen
  6. Een betaalpauze voor hypotheekverplichtingen

1. Gebruikelijk loon

Dga’s van wie de bv door de coronacrisis met een omzetdaling wordt geconfronteerd, mogen uitgaan van een lager gebruikelijk loon dan volgens de wettelijke regeling. De toegestane verlaging staat in verhouding tot de omzetdaling. Als gevolg van de verlaging hoeft de bv minder loonheffing in te houden en af te dragen.

2. Versoepeling urencriterium

Ondernemers die voldoen aan het urencriterium hebben recht op de ondernemersaftrek, waaronder de zelfstandigenaftrek. Het urencriterium houdt in dat een ondernemer ten minste 1.225 uur per jaar aan zijn onderneming besteedt. Om te voorkomen dat ondernemers het recht op ondernemersaftrek verliezen geldt als fictie dat een ondernemer in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 ten minste 24 uur per week aan de onderneming heeft besteed. Voor seizoensafhankelijke ondernemers zal worden geregeld dat zij ook onder de versoepeling vallen.

3. Verruiming werkkostenregeling

De vrije ruimte van de werkkostenregeling voor onbelaste vergoedingen aan werknemers wordt eenmalig verhoogd van 1,7 naar 3% voor de eerste € 400.000 van de loonsom.

4. Coronareserve

De coronareserve is een fiscale reserve die het mogelijk maakt om bij de bepaling van de winst over 2019 rekening te houden met verliezen die bedrijven in 2020 verwachten te lijden. De coronareserve geldt alleen voor bedrijven die onder de vennootschapsbelasting vallen. de coronareserve mag niet hoger zijn dan de winst van 2019.

5. Uitstel inwerkingtreding wetsvoorstel excessief lenen

Het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap moet voorkomen dat een dga door geld te lenen van zijn bv belastingbetaling uitstelt. De invoering van dat wetsvoorstel wordt een jaar uitgesteld tot 1 januari 2023.

6. Betaalpauze voor hypotheekverplichtingen

Voor de aftrekbaarheid van hypotheekrente voor de eigen woning geldt sinds 2013 een aflosverplichting op de schuld. Kredietverstrekkers willen klanten de mogelijkheid bieden van een betaalpauze voor rente en aflossing van maximaal zes maanden. Anders dan volgens de wettelijke regeling hoeft de door de betaalpauze opgelopen aflossingsachterstand niet uiterlijk 31 december 2021 te zijn ingelopen om verlies van renteaftrek te voorkomen. De achterstand kan worden ingelopen in de resterende looptijd van de lening. In plaats daarvan kan de klant ervoor kiezen om de resterende lening te splitsen. Dat maakt het mogelijk om de achterstand in een afwijkende periode dan de resterende looptijd in te lopen.

Voor zover de aangekondigde maatregelen wettelijk geregeld moeten worden zullen zij worden opgenomen in het Belastingplan 2021. Daarop vooruitlopend wordt de uitwerking opgenomen in een goedkeurend beleidsbesluit. De maatregelen, die niet wettelijk geregeld hoeven te worden, worden zo spoedig mogelijk uitgewerkt in een beleidsbesluit.

Uitbreiding doelgroep Tozo

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in een brief aan de Tweede Kamer meegedeeld dat de doelgroep van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers (Tozo) wordt uitgebreid. Toegevoegd worden zelfstandigen in grenssituaties en zelfstandige AOW-gerechtigden.

Zelfstandigen in grenssituaties

Ook de in Nederland wonende zelfstandige ondernemer met een bedrijf in een andere EU-lidstaat kan een beroep doen op de Tozo als voorziening in zijn levensonderhoud. De ondernemer die in een andere EU-lidstaat woont en een bedrijf in Nederland heeft, kan met een beroep op de Tozo in aanmerking komen voor een lening voor bedrijfskapitaal. Voor levensonderhoud dient deze ondernemer zich te melden in zijn woonland. De staatssecretaris wil één gemeente aanwijzen waar deze groep ondernemers de aanvraag kan indienen voor bedrijfskapitaal. 

AOW-gerechtigde zelfstandigen

AOW-gerechtigde zelfstandigen kunnen met een beroep op de Tozo in aanmerking komen voor een lening voor bedrijfskapitaal. Tot nu toe was deze groep ondernemers uitgesloten van de Tozo.

Verrekening van inkomsten met de Tozo

Alleen inkomen dat betrekking heeft op de periode waarover Tozo wordt aangevraagd zal worden verrekend met de uitkering. Bij inkomen uit arbeid gaat het om de periode waarin de arbeid is verricht. Met een factuur voor werk in februari, die betaald wordt in maart, wordt geen rekening gehouden bij het bepalen van de Tozo-uitkering.

De grenswerkers en AOW-gerechtigde zelfstandigen kunnen een beroep doen op de Tozo nadat de aangepaste ministeriële regeling is gepubliceerd.

Aanpassingen coronamaatregelen van ministerie SZW

De minister en de staatssecretaris van Sociale zaken en Werkgelegenheid hebben enkele aanpassingen aangekondigd van de coronamaatregelen die onder het bereik van dit ministerie vallen. Het gaat om de volgende zaken:

  1. Toepassing van de NOW bij concerns.
  2. Een aanvullend vangnet voor flexwerkers
  3. Een regeling voor seizoenswerk.
  4. Toepassing van de premiedifferentiatie op overwerk.
  5. Werktijdverkorting en tewerkstellingsvergunningen.

Ad 1) Toepassing van de NOW bij concerns

De NOW omvat een tegemoetkoming in de loonkosten van personeel bij een omzetverlies van 20% of meer. Voor concerns bestaande uit meerdere vennootschappen geldt de eis van het omzetverlies voor het gehele concern. De regeling wordt nu zodanig aangepast, dat bij concerns met minder dan 20% omzetverlies individuele werkmaatschappijen subsidie voor hun loonkosten aanvragen op basis van de eigen omzetdaling. Om misbruik van de regeling te voorkomen, worden aan deze verruiming extra voorwaarden verbonden. Deze zijn achtereenvolgens:

  • De werkmaatschappij moet een rechtspersoon zijn.
  • Het concern mag over het jaar 2020 geen dividend of bonussen uitkeren en geen eigen aandelen inkopen. Dat geldt tot met de datum van de aandeelhoudersvergadering waarin de jaarrekening over 2020 wordt vastgesteld.
  • De werkmaatschappij moet een overeenkomst hebben met de vakbonden of de werknemersvertegenwoordiging over werkbehoud.
  • Er mag binnen het concern geen personeels-bv zijn. Is dat wel het geval, dan moet worden uitgegaan van de omzetdaling op concernniveau.

Er komen controlewaarborgen om oneigenlijk gebruik te voorkomen.

Ad 2) Een aanvullend vangnet voor flexwerkers. 

Het kabinet onderzoekt de mogelijkheden voor de invoering van een vangnetregeling voor flexwerkers. Details van de voorgenomen regeling zijn nog niet bekend. Het betreft een tijdelijke en uitvoerbare regeling voor flexwerknemers die sinds 1 maart hun baan zijn kwijtgeraakt, maar niet in aanmerking komen voor een uitkering. 

Ad 3) Seizoenswerk.

De NOW biedt voor veel vormen van seizoenswerk geen oplossing. Voor die groep is een aparte regeling nodig. Het kabinet onderzoekt de mogelijkheden om ook voor seizoenswerk een oplossing te kunnen bieden.

Ad 4) Overwerk en premiedifferentiatie.

Volgens de wet moet voor vaste werknemers, die in een kalenderjaar meer dan 30% hebben overgewerkt, de hoge WW-premie worden afgedragen. De bewindslieden van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben bekendgemaakt dat deze bepaling voor het jaar 2020 voor alle werkgevers wordt opgeschort. Dat betekent dat ook bij meer dan 30% overwerk de lage WW-premie van toepassing is in dit kalenderjaar.

Ad 5) Werktijdverkorting en tewerkstellingsvergunningen.

Een kleine groep werkgevers heeft toestemming gekregen om werktijdverkorting toe te passen in verband met de coronacrisis. Door toepassing van de regeling werktijdverkorting gaat het loon feitelijk omlaag. Dit kan een probleem opleveren voor bijvoorbeeld kennismigranten. Voor deze groep geldt een salariscriterium. Mocht het loon door de werktijdverkorting dalen beneden het salariscriterium, dan zal aan de werkgever geen boete worden opgelegd wegens illegale arbeid omdat de uitzondering op de tewerkstellingsvergunningverplichting niet meer van toepassing is.