Vooruitbetaalde rente voor woning die niet meer kwalificeert als eigen woning

Bij de Hoge Raad is een procedure aanhangig over de vraag of betaalde rente in aftrek kan worden gebracht als deze rente betrekking heeft op een periode na overlijden waarin geen sprake meer is van een eigen woning.  De procedure betreft de betaling van rente op 4 januari 2014 voor het gehele jaar 2014. De eigenaar van de woning is op die dag overleden, waardoor na 4 januari geen sprake meer is van een eigen woning.

De erfgenamen menen dat de rente aftrekbaar is omdat op het moment van betaling sprake was van een eigenwoningschuld. Volgens de erfgenamen volgt uit de Wet IB 2001 dat het tijdstip van betaling bepalend is voor de aftrekbaarheid.

De Advocaat-generaal (A-G) bij de Hoge Raad heeft een conclusie gewijd aan deze zaak.

In de Wet IB 2001 is geregeld dat betaalde rente van schulden, die behoren tot de eigenwoningschuld, aftrekbaar is. De rente moet verschuldigd zijn ingevolge een lening die is aangegaan ter financiering van de eigen woning. De lening moet voldoen aan de in de wet genoemde voorwaarden. Rente komt voor aftrek in aanmerking op het tijdstip waarop zij is betaald. Ook vooruitbetaalde rente komt in beginsel voor aftrek in aanmerking.

Volgens de Hoge Raad is van vooruitbetaalde rente sprake wanneer rente wordt betaald op een tijdstip dat ligt vóór de periode waaraan deze in economische zin dient te worden toegerekend. Dat verschuldigde en kwalificerende rente wordt vooruitbetaald voor de rest van het belastingjaar staat aan de aftrek naar gelang van het moment van de betaling niet in de weg. Rente die voor een volgend jaar wordt vooruitbetaald is slechts aftrekbaar voor zover deze betrekking heeft op de eerste zes maanden van dat jaar.

De wet regelt niet op welk moment moet worden getoetst of sprake is van een betaling van eigenwoningrente. Het ligt volgens de A-G voor de hand om dat te doen op het moment waarop de aangifte wordt gedaan of uiterlijk op het moment voordat de aanslag definitief komt vast te staan. Dit betekent dat wanneer rente vooruit is betaald voor een jaar in dat gehele jaar sprake moet zijn van een eigen woning in de zin van de eigenwoningregeling om volledige aftrek te kunnen genieten. De reden voor de keuze van dit moment van beoordeling is dat het hier gaat om een omstandigheid met een duurkarakter. Wanneer een pand op een zeker moment een eigen woning in de zin van de wet is, zegt dat niets over de vraag of dat pand die kwaliteit op een volgend moment nog steeds bezit. Wel is duidelijk dat vanaf het moment waarop het pand die kwaliteit niet meer bezit, de aftrek van hypotheekrente niet meer is toegestaan.

In deze procedure was niet in geschil dat de woning na 4 januari 2014 niet meer kwalificeert als een eigen woning. Daarom kan volgens de A-G vanaf die datum geen aftrek van betaalde rente worden genoten. Dit heeft tot gevolg dat 361/365e deel van de betaalde rente niet aftrekbaar is. Dat is in overeenstemming met de uitspraak van Hof Den Bosch.

Ontslag op staande voet wegens overtreding gedragsregels werkgever

Ontslag op staande voet wil zeggen dat de arbeidsovereenkomst zonder opzegtermijn wordt beëindigd. Zowel de werkgever als de werknemer heeft de bevoegdheid om over te gaan tot ontslag op staande voet. Vereiste voor ontslag op staande voet is het bestaan van een dringende reden, die onverwijld moet worden meegedeeld aan de wederpartij. Het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat als dringende redenen voor de werkgever om een werknemer op staande voet te ontslaan worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Een dringende reden kan zijn dat een werknemer de plichten veronachtzaamt die de arbeidsovereenkomst hem oplegt. De kantonrechter moet, als het ontslag op staande voet wordt aangevochten, bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen.

Een cateringbedrijf op Schiphol hanteerde een zeer streng beleid ten aanzien van het zich toe-eigenen van retourgoederen, ongeacht de waarde daarvan. Volgens het beleid volgde ontslag op staande voet bij de constatering daarvan. Het was de werknemers onder meer verboden om water te drinken op de werkplek uit iets anders dan de door de werkgever beschikbaar gestelde hervulbare drinkflessen. Deze mochten uitsluiten gevuld worden met kraanwater. Het cateringbedrijf ontsloeg een werknemer die zijn drinkfles had gevuld met een retour gekomen flesje water. De werknemer ontkende dat niet, maar bestreed het gegeven ontslag. Volgens de kantonrechter is aan de eis van onverwijldheid voldaan omdat het ontslag is gegeven op de dag van het vergrijp. Gezien het door de werkgever gevoerde beleid was sprake van een voor ontslag op staande voet vereiste dringende reden. De werkgever had het beleid op verschillende wijzen onder de aandacht van het personeel gebracht, onder meer door een brief aan het huisadres van de medewerkers. Ook de regels inzake het gebruik van de hervulbare drinkfles zijn aan de medewerkers kenbaar gemaakt. Gezien de duur van zijn dienstverband moest de werknemer volgens de kantonrechter op de hoogte zijn van het strenge beleid en van de regels omtrent het gebruik van de drinkfles. Het langdurige dienstverband en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer waren geen aanleiding om het ontslag op staande voet te verhinderen.

Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden aangenomen

Op 23 juni 2020 heeft de Eerste Kamer de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden (UBO) van vennootschappen en andere juridische entiteiten aangenomen. Op 7 juli is de wet in het staatsblad geplaatst. Bij Koninklijk Besluit is vastgesteld dat de wet grotendeels op 8 juli in werking is getreden. De registratieplicht treedt op 27 september in werking. Na de inwerkingtreding hebben bestaande rechtspersonen achttien maanden de tijd om hun UBO’s te registreren. Nieuw opgerichte rechtspersonen hebben een week de tijd voor de registratie. Een UBO is de natuurlijke persoon die een eigendoms- of zeggenschapsbelang van meer dan 25% heeft in een rechtspersoon.

Het UBO-register wordt gehouden door de Kamers van Koophandel en omvat gegevens van de UBO’s. Een aantal van deze gegevens is openbaar. Het gaat om naam, geboortemaand en -jaar, woonstaat, nationaliteit en – binnen bepaalde bandbreedtes – de aard en omvang van het economische belang in de rechtspersoon. Andere geregistreerde gegevens zijn geboortedag, geboorteplaats, geboorteland, woonadres, BSN of buitenlands fiscaal identificatienummer en de exacte aard en omvang van het belang in de vennootschap. Deze gegevens zijn niet openbaar, maar wel toegankelijk voor overheidsinstellingen.

De registratieplicht geldt voor in Nederland opgerichte vennootschappen en andere rechtspersonen, zoals bv’s, stichtingen en verenigingen. Buitenlandse ondernemingen en rechtspersonen, die een onderneming in Nederland drijven, moeten zich wel in het handelsregister inschrijven, maar hoeven hun UBO’s niet in Nederland te registreren.

Huisarts geen ondernemer voor werkzaamheden via coöperatie

Een onderneming is een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid waarmee wordt deelgenomen aan het economische verkeer met het doel en in de verwachting daarmee duurzaam positieve opbrengsten te behalen. Voor de inkomstenbelasting wordt als ondernemer aangemerkt degene voor wiens rekening en risico een onderneming wordt gedreven.

De vraag in een procedure was of een huisarts, die haar werkzaamheden verrichtte via een coöperatieve vereniging, als ondernemer kon worden aangemerkt. Een coöperatieve vereniging is een rechtspersoon, die op eigen naam en voor eigen rekening en risico rechtshandelingen verricht. Het lidmaatschap van een coöperatieve vereniging leidt op zichzelf niet tot ondernemerschap van haar leden. Of een lid van een coöperatieve vereniging een zelfstandig beroep uitoefent en daarmee ondernemer is in de zin van de Wet IB 2001, dient te worden beoordeeld aan de hand van de activiteiten die het lid voor eigen rekening en risico uitoefent.

De huisarts slaagde er niet in om aannemelijk te maken dat zij naast haar werkzaamheden voor de coöperatie zelfstandig voor eigen rekening en risico werkzaamheden heeft verricht van enige omvang. Alle betalingen van opdrachtgevers werden gedaan aan de coöperatie. Dat de huisarts de werkzaamheden feitelijk uitvoerde maakt haar nog niet tot ondernemer. Dit geldt ook voor het als huisarts lopen van een beroepsaansprakelijkheidsrisico. De huisarts had geen recht op de door haar gevraagde ondernemersfaciliteiten.

NOW-2 kan worden aangevraagd

Het kabinet heeft de Noodmaatregel Overbrugging voor Werkbehoud (NOW) met vier maanden verlengd. Deze tweede tranche, de NOW-2, wijkt op een aantal punten af van de eerste tranche. De NOW is een loonkostensubsidie voor werkgevers die geconfronteerd worden met een omzetdaling van ten minste 20% als gevolg van de coronacrisis. De omzetdaling moet zich voordoen in een aaneengesloten periode van vier kalendermaanden tussen 1 juni en 30 november 2020. De NOW geldt voor werknemers, die verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. De regeling geldt dus niet voor de dga.

Hoogte subsidie gerelateerd aan omzetdaling

De subsidie bedraagt maximaal 90% van de loonsom over de maanden juni tot en met september. Voor de loonsom is het socialeverzekeringsloon uit tegenwoordige dienstbetrekkingen uitgangspunt. Werkgeverspremies, werknemersbijdragen aan pensioen en de opbouw van vakantiebijslag worden ook gecompenseerd. De opslag voor werkgeverslasten is voor de NOW-2 verhoogd van 30 naar 40%. Het loon per werknemer is maximaal twee keer het maximumdagloon per maand. Dat betekent dat loon boven € 9.538 per maand niet voor subsidie in aanmerking komt. De maximale subsidie wordt uitbetaald bij een omzetdaling van 100%. Is de omzetdaling lager, dan wordt de subsidie evenredig lager vastgesteld. De omzetdaling wordt bepaald aan de hand van de jaaromzet 2019 gedeeld door drie. Voor een werkgever, die op 1 januari 2019 nog niet bestond, geldt een afwijkende omzetbepaling.

Formule hoogte subsidie

De hoogte van de subsidie wordt bepaald aan de hand van de volgende formule: A*B*4*1,4*0,9. In deze formule staat A voor het percentage omzetdaling en B voor de loonsom over maart. De vermenigvuldigingsfactor 4 hangt samen met het aantal maanden waarvoor subsidie wordt verleend. De factor 1,4 betreft de opslag voor werkgeverspremies en de factor 0,9 de maximale bijdrage van 90%. De in de NOW-1 geldende boete op ontslag om bedrijfseconomische redenen is vervallen, behoudens bij ontslag van 20 of meer werknemers. De boete bedraagt 5% van de ontvangen subsidie. De boete vervalt als er een akkoord over de ontslagaanvraag is tussen werkgever en vakbonden of een vertegenwoordiging van werknemers.

Toepassing van de NOW bij concerns
Voor concerns bestaande uit meerdere vennootschappen geldt de eis van het omzetverlies voor het gehele concern. Bij concerns met minder dan 20% omzetverlies kunnen individuele werkmaatschappijen subsidie voor hun loonkosten aanvragen op basis van de eigen omzetdaling. Om misbruik van de regeling te voorkomen, worden aan deze verruiming extra voorwaarden verbonden. Deze zijn achtereenvolgens:

  • De werkmaatschappij moet een rechtspersoon zijn.
  • Het concern mag over het jaar 2020 geen dividend of bonussen uitkeren en geen eigen aandelen inkopen. Dat geldt tot met de datum van de aandeelhoudersvergadering waarin de jaarrekening over 2020 wordt vastgesteld.
  • De werkmaatschappij moet een overeenkomst hebben met de vakbonden of de werknemersvertegenwoordiging over werkbehoud.
  • De werkmaatschappij mag geen personeels-bv zijn.

Voorschot

Het UWV betaalt in drie termijnen een voorschot uit van 80% van de berekende subsidie. Gegevens over de loonsom baseert het UWV op de polisadministratie over de maand maart 2020.

Definitieve vaststelling achteraf

Binnen 24 weken na afloop van de periode waarover de NOW is toegekend dient de werkgever vaststelling van de subsidie aan te vragen. Bij de aanvraag is een accountantsverklaring nodig als de subsidie hoger is dan € 125.000 of als het voorschot hoger is dan € 100.000. Als een accountantsverklaring nodig is geldt een termijn van 38 weken om de vaststelling aan te vragen. Binnen 52 weken na ontvangst van deze aanvraag stelt het UWV de definitieve subsidie vast. Bij de definitieve vaststelling van de subsidie wordt rekening gehouden met een eventueel opgetreden daling van de loonsom over de maanden maart tot en met mei ten opzichte van de loonsom over de refertemaand.

Aanvraagperiode

Een aanvraag voor de NOW-2 kan worden gedaan van 6 juli tot en met 31 augustus.

Voorwaarden

De NOW-2 kent nieuwe voorwaarden. Een bedrijf dat een subsidie van € 125.000 of meer ontvangt of een voorschot van € 100.000 of meer mag over dit jaar geen winstuitkering aan aandeelhouders doen, geen bonussen aan het bestuur en de directie uitkeren en geen eigen aandelen inkopen. Voor concerns die hun omzetdaling op werkmaatschappijniveau willen berekenen gold deze voorwaarde al voor de NOW-1, ongeacht de hoogte van het voorschot of de subsidie.

De werkgever verplicht zich onder meer om:

  • de loonsom zoveel mogelijk gelijk te houden;
  • de subsidie uitsluitend aan te wenden voor de betaling van loonkosten;
  • de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of de werknemers te informeren over de subsidieverlening;
  • werknemers te stimuleren om deel te nemen aan een ontwikkeladvies of aan scholing;
  • alle voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde gegevens op controleerbare wijze in de administratie vast te leggen;
  • loonaangifte te doen op de voorgeschreven momenten;
  • na afloop van de periode waarover subsidie is verleend een definitieve opgave van de omzetdaling te verstrekken.

Recht op aftrek voorbelasting tijdens leegstand pand

Een ondernemer heeft recht op aftrek van de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting, voor zover deze betrekking heeft op goederen en diensten die de ondernemer gebruikt voor belaste handelingen. De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2009 geoordeeld dat de ondernemer de goederen of diensten die hij afneemt om een bedrijfsmiddel in goede staat te houden, onmiddellijk gebruikt in het kader van zijn onderneming. Dat geldt ook in een periode waarin het bedrijfsmiddel tijdelijk geen opbrengsten levert. In dat geval mag er niet zonder meer worden uitgegaan van de veronderstelling dat de afgenomen goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen. De ondernemer heeft recht op aftrek van de op de afgenomen goederen drukkende omzetbelasting indien en voor zover hij het voornemen heeft het bedrijfsmiddel te gebruiken voor belaste handelingen.

Bij de verhuur van andere onroerende zaken dan woningen bestaat de keuze om deze zaken belast of vrijgesteld te verhuren. De mogelijkheid van belaste verhuur is beperkt tot huurders die de onroerende zaak gebruiken voor doeleinden waarvoor zij een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek hebben. Aan de uitoefening van het keuzerecht heeft de wetgever geen andere voorwaarden verbonden dan dat de verhuurder en de huurder blijkens de schriftelijke verhuurovereenkomst hebben gekozen voor belaste verhuur of, in andere gevallen, gezamenlijk een verzoek voor belaste verhuur hebben gedaan aan de inspecteur. Van onroerende zaken, die zowel geschikt zijn voor belaste als vrijgestelde verhuur, wordt pas op het moment dat een huurder is gevonden duidelijk of wordt gekozen voor belaste verhuur. De uitoefening van het keuzerecht hangt mede af van omstandigheden buiten de wil van de verhuurder.

De regeling van aftrek van voorbelasting heeft tot doel de ondernemer volledig te ontlasten van de in het kader van zijn economische activiteiten verschuldigde of voldane omzetbelasting. Aan het effectueren van deze doelstelling zou afbreuk kunnen worden gedaan indien geen recht bestaat op aftrek van de omzetbelasting ter zake van instandhoudingskosten van een leegstaand en voor verhuur bestemd onroerend bedrijfsmiddel wanneer niet op voorhand kan worden uitgesloten dat gekozen zal worden voor belaste verhuur. Volgens de Hoge Raad moet in die gevallen worden aangenomen dat in het voornemen van de ondernemer een onroerende zaak te gaan verhuren het voornemen ligt besloten gebruik te maken van de mogelijkheid van belaste verhuur. Dit betekent dat de omzetbelasting op goederen en diensten die worden afgenomen om de onroerende zaak in goede staat te houden als toerekenbaar aan voorgenomen belaste handelingen voor aftrek in aanmerking komt.

Voorstel aanpassing belastingheffing in box 3 van tafel

De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer laten weten dat het door zijn voorganger gepresenteerde voorstel voor aanpassing van de belastingheffing in box 3 van tafel is. Dat voorstel hield in dat werd uitgegaan van de werkelijke verhouding van spaargeld, beleggingen en schulden van een belastingplichtige in plaats van uit te gaan van een doorsnee vermogensmix. Ieder van deze drie categorieën van vermogensbestanddelen heeft in dit voorstel een eigen forfaitair rendement. Voor spaargeld zou een ruime vrijstelling komen die nu alleen wordt gedifferentieerd naar omvang van het vermogen. Dit voorstel heeft geleid tot kritiek vanwege de ongelijke behandeling van spaarders ten opzichte van mensen met een gelijk vermogen maar een andere vermogensverdeling.

De staatssecretaris geeft aan dat nog altijd wordt gestreefd naar het belasten van het werkelijke rendement. Op korte termijn is dat niet haalbaar. Om een groot deel van de spaarders en kleine beleggers op korte termijn tegemoet te komen, zal het huidige stelsel worden aangepast. Op Prinsjesdag zal een voorstel daartoe aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

De Hoge Raad heeft in 2019 een aantal arresten gewezen over de belastingheffing in box 3. De vraag of de vermogensrendementsheffing in de jaren 2013-2016 een schending inhield van het recht op het ongestoorde genot van eigendom, zoals vastgelegd in het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden, is moeilijk te beantwoorden. De staatssecretaris verwacht de kabinetsreactie hierover met Prinsjesdag naar de Tweede Kamer te kunnen sturen.

Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) kan worden aangevraagd

Onderdeel van het zogenaamde Noodpakket 2.0 is de subsidieregeling Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL). Deze regeling is de opvolger van de in het eerste noodpakket opgenomen TOGS, de tegemoetkoming voor ondernemers in getroffen sectoren. De TVL geldt voor een specifieke groep mkb-bedrijven. Deze groep omvat de zwaarst getroffen sectoren, waaronder horeca, recreatie, sportscholen en dergelijke. Doel van de regeling is ervoor te zorgen dat bedrijven over voldoende liquide middelen beschikken om in de komende maanden de vaste lasten te kunnen betalen en hun onderneming draaiende te houden. Evenals de TOGS is de TVL vrijgesteld van belastingheffing. De doelgroep van de TVL is dezelfde als de doelgroep van de TOGS. Anders dan in de TOGS wordt in de TVL rekening gehouden met de omvang van het omzetverlies en de omvang van de vaste lasten in een sector. Het geraamde budget voor de regeling is € 1,4 miljard.

Voorwaarden

Als voorwaarde voor de TVL geldt de combinatie van een omzetverlies van 30% of meer en een bedrag aan vaste lasten van ten minste € 4.000. Het omzetverlies wordt bepaald door de omzet in de subsidieperiode te vergelijken met dezelfde periode in 2019. Omdat de omzet nog niet bekend is wordt bij de aanvraag uitgegaan van de verwachte omzetdaling. Aan de hand van de verwachte omzetdaling wordt een voorschot op de subsidie uitgekeerd. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van de omzetgegevens in de btw-aangiften van het tweede en het derde kalenderkwartaal van 2019 en 2020. Dat geldt voor ondernemingen die per maand of per kwartaal aangifte doen. De omzet van het tweede kalenderkwartaal telt voor 1/3e mee en de omzet van het derde kalenderkwartaal volledig. Voor ondernemingen die op grond van hun nevenactiviteit in aanmerking komen voor subsidie werkt deze methode niet. Zij zullen hun omzet(verlies) op andere wijze aannemelijk moeten maken.

Voor ondernemingen die tussen 1 en 15 maart (voor het eerst) zijn ingeschreven in het handelsregister geldt de drempel van 30% omzetverlies niet.

De vaste lasten worden voor toepassing van de TVL bij benadering bepaald. Dat gebeurt door de omzet in de referentieperiode te vermenigvuldigen met de gemiddelde sectorafhankelijke verhouding tussen vaste lasten en omzet. Deze verhouding is te vinden in de tabel op de website van RVO.nl.

Subsidiebedrag

De hoogte van de subsidie is gebaseerd op het omzetverlies. Maximaal bedraagt de subsidie 50% van de vaste lasten bij 100% omzetverlies. Bij het behalen van de drempel van het omzetverlies van 30% bedraagt de TVL 15% van de vaste lasten. Ondernemingen, die tussen 1 en 15 maart 2020 zijn ingeschreven in het handelsregister en in de subsidieperiode ten minste € 4.000 vaste lasten verwachten te hebben, krijgen een vast subsidiebedrag van € 1.000.

Aanvraag

Aanvragen voor de TVL kunnen in de periode van 30 juni tot en met 30 oktober 2020 worden ingediend op www.rvo.nl/tvl. De aanvraag dient de volgende gegevens te bevatten: naam, adres, KvK-nummer en gegevens van de contactpersoon. Daarnaast moeten kopieën van de aangiften omzetbelasting of van andere bewijsstukken uit de boekhouding met de omzetgegevens over 2019 worden aangeleverd. Na verlening van de subsidie wordt een voorschot verstrekt van 80% van het subsidiebedrag.

Definitieve vaststelling

De ondernemer moet voor 1 april 2021 verzoeken om vaststelling van de subsidie via het daarvoor bestemde formulier op www.rvo.nl/tvl.

Administratie

De ondernemer die subsidie ontvangt uit de TVL is verplicht zijn administratie zodanig te voeren en te bewaren dat tot tien jaar na de subsidieverlening op duidelijke en eenvoudige wijze blijkt dat hij aan de eisen heeft voldaan.

Ontslag met wederzijds goedvinden

In het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat een overeenkomst, waarmee een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, alleen geldig is als deze schriftelijk is aangegaan. Bij discussie over de vraag of een arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd moet dus beoordeeld worden of er een overeenkomst is en of is voldaan aan het vormvoorschrift van schriftelijke vastlegging.

Een procedure bij de kantonrechter ging over de vraag of een arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden was beëindigd. Volgens de kantonrechter is het vormvoorschrift van schriftelijke vastlegging ondergeschikt aan de vraag of partijen daadwerkelijk een overeenkomst tot wederzijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst hebben bereikt. De kantonrechter stelde vast dat aan het schriftelijkheidsvereiste was voldaan in de vorm van een brief van de werkgever waarin stond dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden werd ontbonden.

Aan het tot stand komen van de overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst stelt de wet geen vormvoorschriften. Er moet sprake zijn van een aanbod om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, welk aanbod door de wederpartij is aanvaard. Onder verwijzing naar het arrest Grillroom Ramses II van de Hoge Raad uit 2005 oordeelde de kantonrechter dat de werkgever schriftelijk een aanbod aan de werknemer heeft gedaan om de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen. Uit het feit dat de werknemer vervolgens met de nieuwe werkgever tot overeenstemming is gekomen en daar op 1 juli 2019 daadwerkelijk in dienst is getreden en zonder protest de bedrijfseigendommen van de oude werkgever heeft ingeleverd, mocht de oude werkgever afleiden dat de werknemer de arbeidsovereenkomst als beëindigd beschouwde en het aanbod tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden heeft aanvaard. Daarmee is een overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden tussen werknemer en werkgever tot stand gekomen. Dat betekende dat de werknemer geen recht had op de transitievergoeding of op de gevorderde gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging.

Kamervragen pakket aanvullende fiscale maatregelen

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen over het pakket aanvullende fiscale maatregelen in verband met de coronacrisis beantwoord. De vragen hebben betrekking op de volgende onderwerpen:

  1. Gebruikelijk loon
  2. Urencriterium
  3. Werkkostenregeling
  4. Fiscale coronareserve
  5. Betaalpauze voor hypotheekverplichtingen

1. Gebruikelijk loon

De staatssecretaris heeft goedgekeurd dat het gebruikelijk loon in 2020 bij omzetdalingen lager mag zijn. De verlaging moet evenredig zijn aan de omzetdaling in de eerste vier maanden van 2020 ten opzichte van de eerste vier maanden in 2019. De goedkeuring is gebonden aan voorwaarden. De rekening-courantschuld van de dga en het aan hem uitgekeerde dividend mogen niet toenemen. Als het loon van de dga feitelijk hoger is dan het goedgekeurde verlaagde gebruikelijk loon geldt dat hogere loon. Het gebruikelijk loon mag niet worden verlaagd voor zover de omzet in 2019 of 2020 beïnvloed is door andere bijzondere oorzaken dan de coronacrisis. Toepassing van de goedkeuring is niet afhankelijk van de absolute hoogte van de omzet. De staatssecretaris wijst erop dat de tijdelijke goedkeuring voor het verlagen van het gebruikelijk loon ook in 2009 en 2010 is toegepast en zijn nut heeft bewezen.

2. Urencriterium

Een van de maatregelen is een versoepeling van het urencriterium voor zelfstandige ondernemers. In de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 september 2020 worden zij geacht ten minste 24 uren per week aan hun onderneming te hebben besteed. Deze regeling geldt ook voor ondernemers die tijdelijk in loondienst gaan werken. De goedkeuring bevat een aantal criteria die zien op een ondernemer die seizoensgebonden werkzaamheden verricht. Er dient een piek te zijn in het aantal uren dat de ondernemer gewoonlijk aan zijn onderneming besteedt in de periode van 1 maart tot en met 30 september. Tevens moeten zijn werkzaamheden seizoensgebonden zijn. Volgens de staatssecretaris is het aan de ondernemer om te beoordelen of hij aan deze criteria voldoet. Als dit het geval is, kan hij bij het indienen van zijn aangifte inkomstenbelasting 2020 aangeven of hij aan het urencriterium voldoet, met inachtneming van deze goedkeuring.

3. Werkkostenregeling

De vrije ruimte in de werkkostenregeling voor de eerste € 400.000 van de loonsom is voor 2020 verhoogd van 1,7 naar 3%. Alle werkgevers profiteren van de verruiming van de vrije ruimte. De verruiming is bedoeld om werkgevers die daar de financiële ruimte voor hebben de mogelijkheid te bieden om hun werknemers extra tegemoet te komen.

4. Fiscale coronareserve

De fiscale coronareserve is een mogelijkheid om al in de aangifte over 2019 rekening te houden met een verwacht verlies over 2020. De reserve kan niet groter zijn dan het verwachte coronagerelateerde verlies in het jaar 2020. Ondernemers die gebruik willen maken van de fiscale coronareserve krijgen niet te maken met een verzwaarde bewijslast. De ondernemer moet aannemelijk kunnen maken dat hij recht heeft op de fiscale coronareserve zoals hij die in zijn aangifte vennootschapsbelasting over 2019 heeft opgenomen. De reserve valt in het jaar 2020 verplicht vrij in de winst. Vorming van de reserve betekent een liquiditeitsvoordeel voor de ondernemer door verlaging van de verschuldigde vennootschapsbelasting over 2019. In het kader van de mogelijkheden van de vorming van een fiscale coronareserve en verliesverrekening is gevraagd naar verlenging van de termijn voor toepassing van de middelingsregeling. De staatssecretaris vindt de termijn van drie jaar na de vaststelling van de definitieve aanslag inkomstenbelasting over het laatste middelingstijdvakjaar voldoende.

5. Betaalpauze voor hypotheekverplichtingen

Wanneer een belastingplichtige met de bank een betaalpauze voor de hypotheekverplichtingen overeenkomt, stelt de bank vast of sprake is van betalingsproblemen als gevolg van de coronacrisis en of een betaalpauze de meest aangewezen oplossing is. Een dergelijke vaststelling ontbreekt bij een lening die bij een ander dan een aangewezen administratieplichtige is aangegaan. Daarom geldt als aanvullende voorwaarde dat er sprake moet zijn van een terugval in arbeidsinkomen als gevolg van de coronacrisis van ten minste 20% over een periode van drie aaneengesloten kalendermaanden. Voor een lening waarop de fiscale aflossingseis niet van toepassing is, heeft een betaalpauze geen ongewenste fiscale gevolgen en geldt geen tegemoetkoming. Het enige gevolg van het op een later moment betalen van rente is dat het aftrekmoment kan verschuiven. Indien de niet-betaalde rente niet rentedragend is geworden, is de rente aftrekbaar op het moment van betaling.